Santhofsteeg en Zandhofsestraat

terug
 
Onze straat is nu ruim een eeuw oud. De meeste huizen zijn gebouwd tussen 1886 en 1896, en op 9 mei 1890 kreeg hij officieel de naam Zandhofsestraat (op bouwtekeningen van voor die tijd staat gewoon "projectstraat"). In boekjes over de wijk kun je lezen dat de straat genoemd is naar een tuinderij die hier gelegen heeft, maar om er het fijne van te weten te komen, moet je naar het archief aan de Numankade. Ik ben daar geweest en wil jullie graag meenemen voor een wandelingetje door de tijd, naar de Santhofsteeg.
 
We beginnen onze wandeling in de Wittevrouwenstraat, ter hoogte van de Keizerstraat.
 
Doe je ogen dicht en ga in je fantasie terug in de tijd. Het lawaai van auto's en brommers verdwijnt en zonder uitlaatgassen ruikt het ook anders (al is die lucht misschien niet veel lekkerder, zo zonder riolering en gemeentereiniging). Doe je ogen weer open als je in het jaar 1640 bent aangekomen. Aan de noordkant van de straat staat in dat jaar nog steeds het Wittevrouwenklooster. Het is dan officieel al lang geen klooster meer, maar de Norbertinesser nonnen die er vroeger woonden, droegen een wit kleed. Vandaar dus de naam die voorgoed bij deze omgeving is blijven horen.
 
Voor ons zijn de Wittevrouwenpoort en de Wittevrouwenbrug, die de toegang tot de stad bewaken. Aan de overkant van de brug zijn we buiten de stad en dus ook buiten de veilige stadswallen.
 
Het grootste deel van het gebied tussen de "Oude Vecht" (Grift) en de Minstroom heette officieel het "Geregt (rechtsgebied) buiten de Wittevrouwenpoort". Dat is nogal een mond vol, dus wordt het al snel "Buiten-Wittevrouwen" genoemd. In de loop van de tijd wordt de naam nog verder afgekort, tot "Wittevrouwen". In de jaren '70 van de 20ste eeuw komt "Buiten Wittevrouwen" weer in gebruik, maar dan alleen voor het deel van de wijk tussen Biltstraat en Nachtegaalstraat.
 
Buiten-Wittevrouwen is een voorstad van Utrecht, met vertegenwoordigers in de stadsraad en een eigen gerecht. Maar de bewoners hebben geen "poortersrechten", zoals de burgers die binnen de wallen wonen, en om de stad binnen te mogen moeten ze poortgeld betalen. Omdat Buiten-Wittevrouwen geen stadwallen heeft, is het er niet erg veilig. Het wordt weliswaar aan alle zijden door water omgeven, maar de Gildpoort, die stond waar de Biltsche Steenstraat (Biltstraat) een arm van de Oude Vecht kruiste (ongeveer ter hoogte van de Museumbrug) is in 1708 al afge-bro-ken. En de Biltstraat is een belangrijke toegangsweg waarover alle soorten volk kwam.
 
We wandelen over de Biltstraat naar de "Gildbrug".
 
De geschiedenis van de Biltstraat is heel oud. In de Romeinse tijd liep hier al de route tussen "Trajectum ad Rhenum" (Utrecht) en "Novio-magum" (Nijmegen). De straat was al in de Middeleeuwen verhard, en dat was iets bijzonders. Van de Gildbrug weet iedereen sinds kort weer precies waar die heeft gelegen. Bij de aanleg van de busbaan hebben we zelf de funda-men-ten kunnen zien. Die fundamenten zijn niet wegge-haald, maar afgedekt met betonplaten en onder het asfalt verdwenen.
 
Langs de Biltstraat is een lintbebouwing van kleine huisjes. Op de hoek van de tegenwoordige Gasthuisstraat ligt het Heilige Kruisgasthuis. Verder bevinden zich in het gebied kerken en kapelen, tapperijen en herbergen, molens en warmoezerijen (tuinderijen). Als je een steeg (onverhard pad) tussen de huizen ingaat, sta je al gauw tussen de weiden en moestuinen. Die warmoezerijen zijn kleine bedrijfjes, soms met maar een paar "hond" grond. (Een hond is ongeveer 1,5 are. Ter vergelijking: dat is een oppervlakte zo breed als onze straat, en over een lengte van 4 huizen.) De warmoesiers verkopen hun waren op de markt in de stad. Aan de noordzijde van de Biltstraat staan molens. Het pad erlangs (nu: Gildstraat) wordt Moorde-naars-pad genoemd, maar dat zal wel een verbastering zijn van Molenaarspad. Er zijn tenminste geen griezelverhalen over gruwelijke moorden die er gepleegd zouden zijn. Wat ontbreekt in Buiten-Wittevrouwen zijn winkels en ambachts-bedrijven. Om daarvoor een vergunning te krijgen, moet je poortersrechten hebben, en die hebben de Wittevrouwers dus niet.
 
Een klein eindje voor de Gildbrug gaan we linksaf een steeg in; de Santhofsteeg.
 
De steeg loopt naar warmoezerij de Zandhof (de naam wordt steeds anders gespeld), en in een verkoopacte uit 1716 staat dat die aan de Santhofsteeg ligt. Naar alle waarschijnlijkheid liep de Santhofsteeg waar nu de Oude Kerkstraat is. De naam van de straat is dus al oud, maar de steeg stond haaks op "onze" Zandhofsestraat. De exacte plaats van de Zandhof is (nog) niet helemaal zeker, maar hij was in elk geval wel hier vlakbij. Op veel oude kaarten is aan het einde van het Moordenaarspad (Gildstraat) een gebouwtje getekend dat best de Zandhof zou kunnen zijn.
In het jaar 1640 komen we de naam Zandhof voor het eerst tegen in het archief. In een register van tappers heeft op 5 februari van dat jaar zich laten inschrijven: "Steven Jacobszoon; Buijten de Wittevrouwen; Inde Santhoff". In latere archiefstukken wordt de Zandhof alleen nog als warmoezerij genoemd, en over een tapvergunning wordt niets meer gezegd. De oppervlakte van de warmoezerij is 7 hond, dat is ongeveer 1 hectare. In de loop van de 18de eeuw verwisselt het bedrijf een paar keer van eigenaar. Om meer te weten te komen over de geschiedenis en de ligging van de Zandhof zal ik verder onderzoek plegen in het archief.
 
Bij een biertje in tapperij De Zandhof keren we al pratend door de tijd weer terug naar de 21ste eeuw.
 
Door de eeuwen heen verandert onze wijk steeds meer. Als in het begin van de 19de eeuw fort De Bilt is gebouwd, wordt het hier veiliger. Er komen meer mensen wonen, en er worden grotere huizen gebouwd. Buiten-Wittevrouwen verliest zijn status van voorstad, en wordt een buitenwijk van Utrecht. In de loop van de 19de eeuw groeit de bevolking snel. Er is een grote trek naar de stad vanwege misoogsten op het platteland en omdat hier werk is voor arbeiders in de toenemende industrie. Ook in Wittevrouwen komen fabrieken (denk bijvoorbeeld aan de gasfabriek). Het tuinbouw-gebied wordt snel volgebouwd met goedkope huizen, want veel konden de arbeiders niet betalen. Water-leiding en rolering komen pas in de 20ste eeuw.
 
Eind 19de eeuw is de grond nog steeds in handen was van veel verschillende eigenaren. Daarom worden de huizen in kleine groepjes tegelijk gebouwd. Als je door de wijk wandelt, kun je dat nog altijd zien. Toen de gemeente besloot tot stadvernieuwing in de jaren '70 (van de 20ste eeuw) konden in Wittevrouwen geen grootschalige projecten worden opgezet omdat ook nu nog de meeste huizen in particulier bezit zijn. Dankzij individuele subsidies konden veel bewoners hun huizen toch verbeteren, en daar is de hele wijk op vooruitgegaan. Wittevrouwen is tegewoordig zelfs zo in trek dat de prijzen van de huizen onbetaalbaar zijn geworden.

Jacqueline de Ruiter, 26 mei 2003. Ook afgedrukt in het lustrumboekje.

Voor wie méér wil lezen (zonder direct het archief in te duiken):
H.A. Denneman, Wittevrouwen en Buiten-Wittevrouwen : tussen Lepelenburg en Ezelsdijk. Utrecht : De Plantage, 1997
M. Donkersloot-de Vrij, Kaarten van Utrecht : topografische en thematische kartografie van de stad uit vijf eeuwen. Utrecht : HES, 1989.
A. van Hulzen, Utrechtse kloosters en gasthuizen. Baarn, 1986.
M. Putter, M. de Louw en G-J van Lonkhuyzen, Een straatje om in Wittevrouwen : ontstaan en groei van een wijk in Utrecht. Utrecht : De Plantage, 1988
J.E.A.L. Struick, Utrecht door de eeuwen heen. Utrecht : Het Spectrum, 1968